Dé vrouw

Ik grijp mijn zelfvertrouwen.
Volle handen, veel gewicht.
Mijn hele ego, zorgvuldig opgevouwen.
De arrogantie en naïeviteit.
De magische combinatie
die zich door de dood strijd.

Ik sta op en wandel
stappen volgen elkaar onzeker op.
De publieke onzichtbaarheid is mijn mantel.
Ik voel de zon op mijn gezicht; puur genot.
Mensen kijken door mij heen.
Wie het niet weet, ziet mij niet.
Ik ben een schim in het licht
met een leven vol wanverdriet.

Ik zie mijn doel; klaar en duidelijk.
Het schijnt naar mij als de zon.
Ik stap in een schaduw; net een ongeluk.
Het raakt mij niet; vandaag is het beste wat ik kon.
Ik bereik mijn bestemming en wordt duizelig.
Een pompend hart.
De wereld wordt zwart.

Een flits voor de ogen, gevuld met herinnering.
Ik sta waar ik stond nog voor ik er binnen ging.
De zomer in een koffiehuis waar ik ogen zag.
Een moment waar mijn leven niet aan ontkomen mag.
Ik stap vooruit en volg mijn principes.
Oog in oog met een droom van een vrouw.
Ik fluister haar rustig in haar oor:
“Een gedicht ontplooit zich rondom jou.”
De wereld van waarheid op zijn best.
Ze staart me aan.
Haar glimlach doet de rest.